Op 7 december werd de Notre Dame opnieuw in gebruik genomen. Dat was niet de eerste keer. Ooit is de kerk namelijk opnieuw in gebruik genomen, nadat Franse revolutionairen het bedehuis hadden ontwijd. De kerk, die men als Domus Dei –Huis van God– betitelde werd in 1793 ‘verbouwd’ tot Temple de la Raison –tempel van de rede– waarbij de beelden en kostbare kerkschatten het moesten ontgelden. Ook de 28 beelden van de koningen van Juda aan de westgevel werden onthoofd. Niet vanwege ergernis over heiligenverering, maar omdat men meende dat het afbeeldingen van Fransen vorsten waren. In 1801 werd de kerk opnieuw ingewijd, terwijl in 1804 Napoleon zichzelf aldaar tot keizer kroonde en de paus –die aanwezig was– het nakijken had. De heropening van de Notre Dame vijf jaar na de grote brand was een bijzondere belevenis voor de Fransen. De inwijding ging zeker niet met de Franse slag. Maar liefst 6000 agenten en militairen werden ingeschakeld voor de veiligheid. Immers ook hoogwaardigheidsbekleders als Trump en Zelensky moesten ongehinderd naast de Franse president en diens gade in de Notre Dame plaats kunnen nemen. Er was een speciale sleutelceremonie, waarbij de aartsbisschop gekleed als een sinterklaas met zijn staf tegen de hoofddeur van de kerk bonkte. Onder gezang ter ere van Notre Dame –Maria– werd de deur geopend en schreed de kerkelijke leider binnen. Ook het Cavaillé-Coll orgel met maar liefs 111 stemmen en vijf klavieren werd weer in gebruik genomen. Dat was een speciale en ons zeer bevreemdende ceremonie. Tot achtmaal toe riep de aartsbisschop: „O orgel, heilig instrument, ontwaak, zing Gods lof!” Daarop gingen de organisten letterlijk en figuurlijk vol op het orgel. Niet tot genoegen van een ieder overigens. Er kwam al spoedig kritiek op, met name uit de organistenwereld. Was dit nu muziek om publiek warm te laten lopen voor een instrument dat toch al zo’n stoffig imago heeft? >In het nabije verleden gebeurde het trouwens ook wel dat men bij het voorbijgaan van een rooms-katholieke kerk de hoed afzette. Persoonlijk stoot ik me aan de woorden van de aartsbisschop. Een orgel heilig noemen, lijkt me iets te hoge waardering voor een muziekinstrument, ook al staat het in een kerk. Liturgie en liturgische voorwerpen krijgen in de rooms-katholieke kerk vanouds veel meer aandacht dan in de reformatorische gezindte. Er zijn grote kerken –met name in Italië en Spanje– waarin een evangelieorgel en een epistelorgel tegenover elkaar hangen in het koor. Blijkbaar bespeelde men die vroeger wanneer er uit het Evangelie of uit een der brieven gelezen werd. Klokken werden gedoopt en vernoemd naar een Bijbelheilige. In het nabije verleden gebeurde het trouwens ook wel dat men bij het voorbijgaan van een rooms-katholieke kerk de hoed afzette. Hier immers werden de gewijde hosties bewaard. En daarin woont tenslotte naar het gedachtengoed van de transsubstantiatie Christus Zelf. Tegen deze achtergrond is het begrijpelijk dat Calvijn destijds het orgel uit de kerk liet verwijderen en van de tinnen pijpen avondmaalbekers en schalen liet vervaardigen. Zijn geestelijke volgelingen hebben het orgel laten zwijgen, in plaats van het toe te roepen: „Ontwaak, zing Gods lof!” Wanneer de calvinisten niet afhankelijk waren geweest van de overheid had men in geen enkele Hollandse stad meer een orgel gehad. In de Dordtse kerkorde van 1574 wordt niet alleen tegen orgelspel als begeleiding gewaarschuwd, maar zelfs tegen orgelspel bij het uitgaan van de kerk. Het zou maar dienen om te vergeten wat men zojuist gehoord had. De onbetwist calvinistische Revius dacht er anders over. Bij het overlijden van de Deventer organist Claude Bernart schreef hij: Tot psalmen en gebeen wordt ’t orgel recht gebruiket, O zalig welker keel des Heren roem ontluiket! Maar ach!, het orgel speelt onwetende zijn lied, En menig zingt en dankt, en ’t hert en voelt het niet.