Het is een koude vrijdagavond in december, als ik na een Glühweintje op de Christkindlmarkt op de bank lig met mijn mobiel. Opeens word ik gebeld. Het is Ulrike uit de kerk, ook wel Ulli genoemd.
„Met Jos”, zeg ik, en nadat ze mij heeft begroet: „Jij klinkt verkouden.”
„Daar bel ik je voor. Ik hoop dat je morgen niks gepland hebt, want ik heb een ticket voor de halve marathon voor je.” Ik knipper een paar keer met mijn ogen.
„Jos? Ben je er nog?”
„Ehh, ja!?”
„Wat zeg je ervan? Je kun m’n startnummer vanavond nog ophalen!” „Maar ik heb nog nooit zo ver gerend! Mijn record is twaalf kilometer!” „Ach kom, je bent fit genoeg, dan red je makkelijk!”
Daar twijfel ik nog eens aan, als ik de volgende morgen aan de startlijn sta, met honderden andere mensen. Op mijn buik prijkt mijn startnummer met in grote blokletters ”Ulrike” erop. Ik heb haar gezegd dat ze zich de volgende keer liever als ”Ulli” aan moet melden. Dan zou ik ook ”Ulrich” kunnen zijn.
Het is reuzegezellig hier, iedereen lijkt er zin in te hebben. Mijn buik kriebelt een beetje. Ergens vooraan klinkt een knal. Langzaam schuifelen we met z'n allen naar voren. Langzaam lost de mensenmassa zich een beetje op. Een paar profi-sporters sprinten naar voren, de langzamere mensen blijven achteraan lopen. Ik zoek twee mannen uit, die een beetje hetzelfde tempo lijken te hebben als ik en volg hen.
De eerste kilometers gaan soepel. We blijken de hele route langs de rivier de Mur te rennen. Geen verkeerd uitzicht dus. Als de twee mannen voor me doorkrijgen dat ik hen achtervolg, vragen ze me naast hen mee te lopen, wat het wel gezelliger maakt. Niet dat we veel praten, zo veel lucht heb ik inmiddels niet meer. Op ongeveer de helft staan er vrijwilligers langs de kant bekertjes water uit te delen. Ik heb er niet veel vertrouwen in dat het me lukt tijdens het rennen te drinken, dus sla ik dat maar over. Wel fascinerend, om anderen daarbij te bekijken. De bekertjes worden weggegooid in de berm, die nog een halve kilometer na de uitdeelservice vol ligt.
Het meest geweldig zijn de supporters. Er staan zo veel mensen aan de kant! Ze klappen, wapperen met spandoeken, sommigen hebben zelfs ratels en toeters mee. Ik ren voor mijn gevoel gelijk 5 kilometer sneller als we zo´n groepje naderen en knik maar vriendelijk als dank.
Vanaf kilometer zestien wordt het wat moeilijker. Automatisch zetten mijn voeten stap voor stap, maar het lukt me steeds minder goed ze vanuit mijn hoofd te besturen. Bij oneffenheden en stenen knallen mijn voeten maar gewoon op de bodem. Er zit geen gevoel meer in. Ik krijg nieuwe energie als ik in de verte het geroep van de moderator al hoor. Het kan niet ver meer zijn! Mijn nieuwe vrienden horen het ook en met zijn drieën zetten we nog een tandje bij.
„Jawohl! Ook deze drie kerels redden nog net onder de twee uur! Wie zijn deze helden?” roept de moderator dramatisch in zijn microfoon. Niet lang daarna kan hij onze namen lezen: „Ah jongens, applausje voor Fabian, Tobi en Ulrike! Knap, dat ze het bij deze twee mannen volhield!” Hij grijnst. Buiten adem zet ik mijn handen op mijn knieën.
„Medaille?” Voor me bungelt een plaatje metaal. Ik hang het om mijn nek. De Grazer klokkentoren staat erop. Met ”21k”.
„Ulrike, je bent een held!” zegt Fabian grijnzend.
„Ik zal het aan haar doorgeven”, grap ik, terwijl ik naar mijn startnummer wijs.
Jos, bekend van het vervolgverhaal Jenthe in Terdege, blogt vanuit Oostenrijk.
beeld: Getty Images